• Website over de 23 grondrechten in de Nederlandse Grondwet
 

Grondrechten

Artikel 14

In Nederland zijn eigendommen onschendbaar. Onteigening kan alleen als het algemeen belang in het geding is en er een schadeloosstelling tegenover staat.

 

 

TEKST GRONDWET

1   Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
2  
De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
3  
In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.


TOELICHTING

Begrip eigendom
Het begrip eigendom dat we in Nederland hanteren, is erg ruim. Eigendom betreft alles wat in geldwaarde kan worden uitgedrukt. Denk bij eigendom dan ook niet alleen aan onroerend en roerend goed, maar ook aan intellectueel eigendom in de vorm van octrooien op producten, copyright op teksten en muziekrechten.

Het eigendomsrecht is vastgelegd in art. 5:1 van het Burgerlijk Wetboek:
1   Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.
2   Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.
3   De eigenaar van de zaak wordt, behoudens rechten van anderen, eigenaar van de afgescheiden vruchten.

Onteigeningswet
De belangrijkste spelregels rond onteigeningen staan in de Onteigeningswet. De onteigeningswet kent twee voorwaarden:

  • De aanwijzing van het te onteigenen perceel moet via een zorgvuldige, wettelijk geregelde procedure tot stand komen.
  • Er moet volledige schadeloosstelling worden betaald, zo nodig vast te stellen door de gewone rechter.

Als het om onteigenen gaat, komt de rechter er altijd aan te pas  Hij zal altijd eerst nagaan of er iets te schikken valt.
In veel gevallen zal zijn aanwezigheid het nodige gewicht in de schaal leggen. Degene wiens grond zal worden onteigend, is voor de rechter mogelijk sneller bereid een 'vrijwillige' verkoop aan te gaan dan het op een onteigening te laten aankomen.


TOELICHTING OP ONDERDELEN

Lid 1
Het eerste lid art. 14 Gw zegt dat onteigening alleen mogelijk is als er aan twee voorwaarden voldaan is:

  • Het onteigenen moet in het algemeen belang plaatsvinden. De vraag is natuurlijk: wat is dat algemeen belang precies? In een aantal gevallen is het nader omschreven en dan gaat het om zaken als infrastructuur, brand, watersnood, ruimtelijke ontwikkeling, volkshuisvesting en natuurbescherming.
  • Er moet van te voren een schadeloosstelling geregeld zijn. Vaak is er bij een onteigening gesteggel over de schadeloosstelling. Uitgangspunt van de onteigeningswet is dat er een volledige vergoeding komt voor alle schade die een eigenaar door het verlies van zijn eigendom lijdt. Veel discussie is er altijd over de vraag of de overheid van de marktwaarde of van de gebruikswaarde uitgaat.

Lid 2
De overheid wordt in staat gesteld om in geval van nood – denk aan oorlog, oproer, brand, watersnood enzovoort – snel te kunnen te handelen en pas achteraf de schadeloosstelling te regelen.

Lid 3
In lid 3 is er sprake van dat het bevoegd gezag in het algemeen belang eigendom mag vernietigen of onbruikbaar maken. Een voorbeeld is het kunnen ruimen van pluimveebedrijven 'in het algemeen belang' bij de uitbraak van de vogelgriep eind 2014. De getroffen bedrijven komen voor een schadevergoeding in aanmerking .


GESCHIEDENIS

Reeds in de staatsregeling van 1798 (artikel 40) kwam een artikel over onteigening voor:
Niemand kan van het geringst gedeelte van zijn Eigendom, buiten zijne toestemming, beroofd worden, dan alleen, wanneer de openbaare noodzaaklijkheid, door de Vertegenwoordigende Magt erkend, zulks vordert, en alleen op voorwaarde eener billijke schadevergoeding.

In de regeling van 1801 (artikel 5) werd de mogelijkheid tot onteigening als volgt geformuleerd:
Ieder Ingezeten word gehandhaafd by de vreedzame bezitting en het genot zyner eigendommen. Niemand kan van eenig gedeelte derzelven worden ontzet, dan wanneer het algemeen welzyn zulks volstrekt vordert, en in zodanig geval niet anders, dan tegen eene billyke schadevergoeding.

De Grondwet van 1815 (artikel 164) zei het op deze manier:
Ieder ingezeten wordt gehandhaafd bij het vreedzaam bezit en genot zijner eigendommen. Niemand kan van eenig gedeelte derzelven worden ontzet, dan ten algemeenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet te bepalen, en tegen behoorlijke schadeloosstelling.

Halverwege de negentiende eeuw waren onteigeningen min of meer aan de orde van de dag toen door het hele land spoorwegen werden aangelegd.
Thorbecke voorzag de Grondwet van 1848 van een uitgebreider artikel over onteigening (artikel 147):

1   Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet, dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling.
2   De wet verklaart vooraf dat het algemeen nut de onteigening vordert.
3   Een algemeene wet regelt de uitzondering op het vereischte van zoodanige verklaring ten behoeve van vestingbouw en den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bij besmetting en andere dringende omstandigheden.
4   De bovengenoemde vereischten van voorafgaande verklaring door eene wet, en van voorafgaande schadeloosstelling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vorderen. Het regt van den onteigende op schadeloosstelling wordt hierdoor echter niet verkort.

Een opmerkelijk onderscheid maakte Thorbecke tussen activiteiten 'ten behoeve van vestingbouw en den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bij besmetting en andere dringende omstandigheden' en als het ging om 'oorlog, brand of watersnood'. In het eerste geval moest er eerst een wet komen om dit te regelen. Ging het om oorlog, brand of watersnood, dan was er vooraf geen wet nodig.

Kort na het nieuwe Grondwetsartikel kwam Thorbecke in 1851 met zijn Onteigeningswet. Het onteigeningsartikel van 1848 bleef vrijwel ongewijzigd tot bij de Grondwetswijziging van 1983 de huidige tekst ervoor in de plaats kwam.

 

ACTUEEL

Onteigening, een lange weg

Deze zaak speelt zich af op de grens van de provincies Groningen en Drenthe. Wie van Paterswolde naar Haren rijdt, ziet dat de Meerweg opnieuw is ingericht Een nieuw wegdek, een nieuwe verlichting, behalve de laatste paar honderd meter… Hier heeft men even gewacht omdat er nog een verbinding moet worden aangelegd tussen het Paterswoldsemeer en het stroomdal van de Drentsche Aa. Er moest een brede sloot komen voor dieren als bevers en otters.

Er is lang aan de plannen voor deze verbinding gewerkt waarna het maar liefst vijf jaar duurde voor de provincie de grond bijna in handen had. Begin 2017 moest er nog met vier grondeigenaren overeenstemming bereikt worden over bijna drie hectare.
De provincie Groningen besloot deze laatste stukjes grond te onteigenen, maar in de brief waarin dit werd aangekondigd, voegden Gedeputeerde Staten er nog wel even aan toe te hopen dat de vier overgebleven eigenaren hun grond alsnog willen verkopen om een lange gerechtelijke onteigeningsprocedure te voorkomen:
Ervaring leert dat de inzet van het onteigeningsinstrument zwaar klinkt, maar dat met ongeveer de helft van de partijen ondertussen alsnog overeenstemming wordt bereikt.

 

Aanpak onteigeningen door Rijkswaterstaat

Voor de aanleg van wegen en kanalen heeft Rijkswaterstaat grond nodig. Die grond is vaak in handen van particulieren of bedrijven. Soms is de eigenaar bereid de grond te verkopen, maar soms ook niet. Als de grondeigenaar en de overheid het niet eens worden, kan de overheid een zogenaamde ‘onteigeningsprocedure’ inzetten. Onteigening is alleen mogelijk in het algemeen belang en onder bepaalde voorwaarden. De grondeigenaar heeft dan recht op een volledige schadevergoeding. Onteigenen kan in verschillende situaties. De meest voorkomende zijn voor de aanleg van wegen, bruggen, spoorwegen en waterwegen. Rijkswaterstaat moet aantonen dat de onteigening het algemeen belang dient en de te onteigenen eigenaar mag er niet op achteruit gaan in inkomen of vermogenspositie.

Eerst langs minnelijke weg
Als Rijkswaterstaat een stuk land nodig heeft voor een bouwproject, wordt eerst geprobeerd in onderling overleg met de grondeigenaar tot overeenstemming te komen. Langs minnelijke weg dus, zoals dat heet in juridische termen. Pas als dat niet lukt start de onteigeningsprocedure. Die bestaat uit een administratieve procedure (aanwijzen van de te onteigenen grond) en een gerechtelijke procedure. De rechter bepaalt dan de schadeloosstelling.

Schadeloosstelling
De schadeloosstelling wordt bijna altijd bepaald in geld. Rijkswaterstaat kan de verkoper eventueel vervangende grond aanbieden. De schadeloosstelling bedraagt meestal meer dan de marktwaarde van het te onteigenen eigendom. Verlies aan inkomen uit de betreffende grond en verhuiskosten worden ook vergoed. Een eventuele waardevermindering van de rest van het eigendom, bijvoorbeeld wanneer een woonhuis aan een weg komt te liggen in plaats van tussen het groen, valt ook onder de schadevergoeding. De kosten voor het inhuren van een taxateur, makelaar of andere deskundigen kunnen binnen bepaalde grenzen ook vergoed worden.

 

JURISPRUDENTIE

Vergoeding voor waardevermindering na onteigening

Sweeres-arrest
In 2004 deed de Hoge Raad een belangrijke uitspraak. Bij de aanleg van de Betuwelijn werd de heer Sweeres, inwoner van de gemeente Buren, schadeloos gesteld omdat een stuk van zijn grond onteigend moest worden voor de nieuwe spoorlijn.
Sweeres nam echter geen genoegen met alleen een schadeloosstelling voor de vierkante meters die onteigend werden. Hij vond dat hij in de toekomst blijvend hinder van het treinverkeer zou gaan ondervinden en dat de waarde van zijn niet-onteigende grond door het treinverkeer zou gaan dalen.
De Hoge Raad bleek het daarmee eens en constateerde dat het hier ging om 'de waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de te verwachten overlast van het treinverkeer op de Betuweroute, waarvan de spoorbanen mede over het onteigende zouden worden aangelegd'.
Daarmee was het Sweeres-arrest een feit.
Uitspraak Raad van State (20.02.2004)

Princeville-arrest
Toen in 2006 in de gemeente Breda bij een onteigeningszaak voor de aanleg van de hogesnelheidslijn richting België de eigenaar van Restaurant Princeville dezelfde redenering aanvoerde, kreeg hij van de Hoge Raad ongelijk. De hinder en waardevermindering zouden volgens de raad ook een feit geweest zijn als de hogesnelheidslijn niet over het onteigende terrein zou lopen.
Het verzoek van Princeville was daarmee afgewezen en er lag voortaan een Princeville-arrest.
Uitspraak Raad van State (14.07.2006)

Onteigeningszaak Badhoevedorp
Toen in 2014 in Badhoevedorp een fietspad werd aangelegd, was er sprake van een soortgelijke situatie als die in Buren met de Betuwelijn. Ging het in 2004 om treinhinder, in Badhoevedorp zou sprake zijn van hinder van fietsen. De zaak werd voorgelegd aan de Rechtbank Noord-Holland.

  • De rechtbank constateerde dat het Sweeres-arrest hier ook van toepassing was. Naast de vergoeding van de grond die onteigend werd, was ook hier sprake van een waardevermindering van het overblijvende eigendom na onteigening.
  • De gedupeerde had ook een vergoeding geëist, omdat hij last zei te hebben van een viaduct 800 meter verderop in het kader van hetzelfde project. Hier volgde de rechtbank het Princeville-arrest. Deze kwestie had niets met de onteigening als zodanig te maken. Betrokkene zou ook zonder onteigening hinder van het viaduct hebben ondervonden.

Uitspraak Raad van State (09.07.2014)

Belangrijk in zulke situaties is dus steeds of een burger nadeel ondervindt omdat het nieuwe storende element (treinverkeer, fietsverkeer) rechtstreeks een gevolg is van het feit dat de route over onteigende grond loopt. Hiermee is in tien jaar tijd in drie stappen meer duidelijkheid gekomen over welke schade wel vergoed wordt en welke niet.

 

Het Haagse Duinwaterleiding-arrest

Een belangrijke uitspraak in de geschiedenis van dit artikel viel op 18 februari 1944 toen de Hoge Raad tot de uitspraak kwam dat ook de overheid onrechtmatig kan handelen en zich niet maar van alles kan veroorloven.

De heer W.J. Jochems uit Wassenaar klaagde de gemeente 's-Gravenhage aan die ten behoeve van de gemeentelijk watervoorziening massale waterhoeveelheden onttrok waaronder aan het landgoed dat in eigendom was van Jochems.
Het Gerechtshof had in 1942 uitgesproken dat de overheid dit niet zomaar mocht doen en had het een onrechtmatige daad genoemd. De gemeente ging in cassatie en de Hoge Raad deed op 18 februari 1944 de volgende uitspraak:

  • De gemeente maakt inbreuk op het eigendom van anderen terwijl dit te voorzien was.
  • De gemeente heeft zich onvoldoende aangetrokken van de belangen van de eigenaar en heeft de vereiste zorgvuldigheid niet in acht genomen.

Voor het eerst bestempelde de Hoge Raad het optreden van de overheid als een onrechtmatige overheidsdaad. Dat de overheid iets verkeerd kon doen, was nog niet eerder vertoond.

Inmiddels is er zoveel jurisprudentie over de onrechtmatige overheidsdaad dat tegenwoordig naar zeven aspecten gekeken wordt om na te gaan of dit daadwerkelijk het geval:

  • onrechtmatigheid
  • toerekenbaarheid
  • relativiteit
  • causaliteit
  • schade
  • eigen schuld en schadebeperking
  • verjaring


 EUROPEES RECHT

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.

 

Europees Verdrag Rechten van de Mens

  • Art. 8 EVRM: Bescherming van eigendom

 

Handvest Grondrechten Europese Unie

  • Art. 17 Hv: Voor Nederland bindend sinds 2009

 

Uitgelicht

 


Nashville-verklaring
De door 250 Nederlanders ondertekende Nashville-verklaring leidde tot felle discussies. Mogen de ondertekenaars zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting van art. 7 Gw? Zijn homo’s en transgenders door de verklaring gediscrimineerd op grond van art. 1 Gw? Welk recht weegt zwaarder?
Hoogleraar rechtsfilosofie Thomas Mertens zei er in dagblad Trouw van 8 januari 2019 over:
Hier lijkt mij toch vooral de boodschap: wij christenen zijn in de verdrukking en we houden vast aan onze waarheid. Dat is mijn waarheid niet en ook niet die van vele anderen, maar ze mogen het van mij zeggen. En van de rechter ook, vermoed ik. Het is een gevecht van een groep die zich in de verdrukking voelt in deze seculiere tijd en die waarschijnlijk nog steeds de openstelling van het huwelijk voor mensen van het gelijke geslacht betreurt. Tolerantie voor onwelgevallige meningen is cruciaal voor de vrije meningsuiting.

Lees het hele artikel

Knipoog

Parlementair taalgebruik

Op 26 september 2018 schreef Ewoud Sanders een column in NRC Handelsblad over parlementair taalgebruik.
'Na de Algemene Politieke Beschouwingen van vorige week begint de vraag zich op te dringen hoe ver politici kunnen gaan voordat zij door de Kamervoorzitter worden teruggefloten. Wilders, die de beschouwingen mocht openen, zette meteen de toon. Ik telde drie keer oprotten en één keer 'Rot zelf lekker op!' Dit was gericht tegen 'de bende van Denk', zoals Wilders ze noemde. (…) Inmiddels lijken oprotten, oppleuren en oplazeren in Haagse kringen zo geaccepteerd dat de Kamervoorzitter ze kritiekloos laat passeren. Ik vind dat opmerkelijk. Zeker als je bedenkt dat van politici nog altijd wordt verwacht dat ze een voorbeeldfunctie vervullen.'

 Lees de hele column van Ewoud Sanders.