• Website over de 23 grondrechten in de Nederlandse Grondwet
 

Grondrechten

Artikel 8

In Nederland mag iedereen een vereniging oprichten of er lid van worden. Wel moet elke vereniging de openbare orde respecteren.

 

 

TEKST GRONDWET

000000 Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

 

TOELICHTING

Art. 8 Gw (vrijheid van vereniging) wordt samen met art. 9 Gw (vrijheid van vergadering en betoging) tot de politieke grondrechten gerekend, omdat ze onmisbare voorwaarden zijn voor het functioneren van de democratie.
De Amerikaanse president Abraham Lincoln zei in 1863 over deze grondrechten: 'Om goed te kunnen functioneren heeft een democratie een aantal regels nodig die zijn opgesomd in de grondwet. Vrije verkiezingen zijn belangrijk maar zonder de vrijheid van meningsuiting, vergadering, vereniging is het vrijwel onmogelijk om goed geïnformeerd te worden en over onderwerpen te discussiëren, waarna men een weloverwogen stem uit kan brengen.'

Beperking vrijheid
Art. 8 Gw geeft iedereen het recht een vereniging op te richten. Zo'n vereniging hoeft geen officiële rechtspersoon te zijn, zoals omschreven in art. 2:1, 2:2 en 2:3 BW. Hier mag je het begrip ruimer lezen als 'organisatie van personen'. Het kan dus ook om een clubje mensen gaan die fijn vinden om met elkaar te vissen of te kaarten.
De tweede zin van art. 8 GW zegt dat het recht om een vereniging op te richten bij de wet kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. Het betekent dat beperkingen alleen met een formele wet
kunnen worden geregeld.
Bij art. 8 Gw kan geen sprake zijn van delegatie. Een burgemeester mag dus nooit op eigen houtje een vereniging verbieden.

Verboden activiteiten verenigingen
Omdat dit grondrecht belangrijk is voor het functioneren van de democratie zal de overheid zeer terughoudend zijn bij het opleggen van beperkingen. Het beperken van de rechten van een bepaalde groep kan echter nodig zijn om de democratische rechtsstaat te beschermen. Centrale vraag hier is hoe een maatschappij zichzelf moet beschermen tegen activiteiten van verenigingen die een bedreiging voor diezelfde maatschappij zijn.

  • Je kunt preventieve beperkingen in het leven roepen door vooraf toestemming te eisen.
  • Beperkingen kunnen repressief zijn door de rechter de mogelijkheid van een toetsing achteraf te geven. Zowel het Burgerlijk Wetboek als het Wetboek van Strafrecht bieden hem de nodige mogelijkheden daartoe. Sinds 1976 kennen we in Nederland alleen repressieve beperkingen.

Verboden doelen verenigingen
De rechter kan een organisatie verbieden als het doel van de organisatie een verboden karakter heeft. Het gaat er dan niet om of een rechter moreel bezorgd is en vindt dat iets eigenlijk niet zou mogen. Het doel moet duidelijk bepaalde strafrechtelijke aspecten in zich hebben. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van geweld en bedreigingen en aan het oproepen tot discriminatie.
Vóór de rechter echter tot ontbinding van de vereniging besluit, zal hij de vereniging in de gelegenheid stellen de statuten zodanig te veranderen dat ze niet meer in strijd zijn met de openbare orde.

Gedwongen lid worden van vereniging
In beginsel kun je niet gedwongen worden om lid te worden van een vereniging, maar er zijn wel enkele uitzonderingen. Zo moet een nieuwe eigenaar van een appartement in een complex met een Vereniging Van Eigenaren (VVE) verplicht lid van die vereniging worden. Het gezamenlijk in eigendom hebben van een complex schept onderlinge verplichtingen die via de VVE ten uitvoer kunnen worden gebracht. Bovendien, als je geen lid van zo’n vereniging wilt worden, moet je je dat van tevoren realiseren en het appartement dus maar niet kopen…
Een andere bekende uitzondering is de wettelijke verplichting die bepaalde beroepsgroepen kennen om zich bij een pensioenfonds aan te sluiten.

Openbare orde
De term ‘openbare orde' in de tweede zin van art. 8 Gw blijkt een erg ruim begrip. Het wordt nergens als zodanig gedefinieerd, maar slechts benaderd met het geven van voorbeelden zoals het aantasten van de vrijheid van anderen, het gebruik van geweld en het discrimineren van anderen.
In de Wet Vereniging en vergadering die van 1855 tot 1976 van kracht geweest is, werd het begrip 'openbare orde' uitgewerkt in voorbeelden als het overtreden van een wet, de aanranding of het bederf der goede zeden en als ‘stoornis in de uitoefening der regten, van wie het ook zij’.

Geen toestemming vooraf
Tot 1976 stond er een belangrijke beperking in de Wet vereniging en vergadering, namelijk een preventief overheidstoezicht op verenigingen. Hier kwam de definitie van het begrip 'openbare orde' om de hoek kijken. Een vereniging moest toestemming vragen met een verklaring van de minister van justitie dat 'van hem van bezwaren niet is gebleken'.
In 1970 kreeg de homobelangenorganisatie COC geen rechtspersoonlijkheid, want volgens de minister waren de werkzaamheden van het COC in strijd met het algemeen belang. De discussie die hierover ontstond, heeft mede toe bijgedragen dat dit preventief toezicht in 1976 samen met het hele Wet vereniging en vergadering afgeschaft werd.

Toetsing aan Burgerlijk Wetboek
Repressief toezicht geeft de rechter de mogelijkheid tot een toetsing achteraf. Daarover zijn regels vastgelegd in art. 2:20
lid 1-2 BW.

100000 Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie verboden verklaard en ontbonden.
2 Een rechtspersoon waarvan het doel in strijd is met de openbare orde, wordt door de rechtbank op verzoek van het openbaar ministerie ontbonden. Alvorens de ontbinding uit te spreken kan de rechtbank de rechtspersoon in de gelegenheid stellen binnen een door haar te bepalen termijn zijn doel zodanig te wijzigen dat het niet meer in strijd is met de openbare orde.

 

Toetsing aan Wetboek van Strafrecht
Art. 140 WvS biedt de rechter mogelijkheden een vereniging te verbieden door hem als een criminele organisatie te bestempelen.

100000 Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2 Deelneming aan de voortzetting van de werkzaamheid van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard of van rechtswege is verboden of ten aanzien waarvan een onherroepelijke verklaring als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, van de Wet conflictenrecht corporaties is afgegeven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
3 Ten aanzien van de oprichters, leiders of bestuurders kunnen de gevangenisstraffen met een derde worden verhoogd.
4 Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie.

 

Toetsing aan Algemene wet gelijke behandeling
Art. 6a Algemene wet gelijke behandeling geeft aan dat het verboden is om bij lidmaatschappen onderscheid te maken:

100000
Onderscheid is verboden bij het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers of werknemersorganisatie of een vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.
2 Het eerste lid laat onverlet:
   a de vrijheid van een op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging om eisen te stellen, die gelet op haar doel, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat en
   b de vrijheid van een op politieke grondslag gebaseerde organisatie of vereniging om eisen te stellen, die gelet op haar doel, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van ras, geslacht, nationaliteit, hetero of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.

 

 

GESCHIEDENIS

Staatsregeling 1798
Het recht op vereniging dook samen met het recht op vergadering voor het eerst op in de Staatsregeling 1798.
Artikel 18 zei er het volgende over:
Ieder Burger heeft regt, om met zijne Medeburgers te vergaderen, ter onderlinge voorlichting, ter opwekking van vaderlandsliefde, en ter naauwer verbindtenis aan de Staatsregeling, zonder dat, nogthands de Constitutioneele Gezelschappen, als zoodanigen, met elkanderen over Staats-zaken briefwisseling houden, geschreven aanklagten ontvangen, bij stemming besluiten, of, bij wijze van Corporatie, eenige openbaare daad zullen verrigten.

Beide rechten verdwenen daarna een tijdje achter de constitutionele horizon om in 1848 terug te keren als art. 10 Gw: 'Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend. De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde.'
De beperking 'in het belang der openbare orde' werd in 1855 geregeld in de Wet Vereniging en vergadering.

Vereniging en vergadering in één artikel
Vanaf 1848 tot de Grondwetswijziging van 1983 stonden het recht van vereniging en het recht van vergadering samen in één artikel. Men ging uit van de niet onlogische gedachte dat als je als vereniging iets wilt bereiken, het onontkoombaar is dat je ook met elkaar vergadert. De Grondwet van 1983 bracht daar verandering in door het verenigingsrecht in art. 8 en het vergaderingsrecht in art. 9 te regelen. De twee rechten werden apart opgenomen, zodat ze op verschillende wijze beperkt kunnen worden. Ook in veel internationale verdragen is voor zo'n verdeling gekozen.

  • Art. 8 Gw kent alleen een beperking bij wet. In vergelijking met de Grondwet van 1848 is het recht niet alleen aan de ingezetenen voorbehouden, maar geldt het voor iedereen. De verplichting richting de overheid is vervangen door de soepele formulering 'kan worden beperkt'.
  • Art. 9 Gw geeft aan dat het recht tot vergadering ook op een andere manier kan worden beperkt door het voorbehoud te maken 'behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet'. Vergeleken met oudere Grondwetsartikelen is het recht op vergadering uitgebreid met het recht te mogen betogen.

Verboden verenigingen
Er zijn in de geschiedenis van art. 8 Gw in Nederland ongeveer 250 verenigingen verboden. De meeste omdat ze er rechts-extremistische of nazistische denkbeelden op na hielden. Onder deze verboden verenigingen zijn vier politieke partijen:

  • In 1893 werd de Sociaaldemocratische Bond (SDB) van Domela Nieuwenhuis verboden omdat de partij anarchistisch was en volgens de rechter onwettige middelen propageerde om haar revolutionaire doel te bereiken. De SDB ging na het verbod verder als Socialistenbond.
  • In 1945 kwam er een rechterlijk verbod voor de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) vanwege de collaboratie van deze partij met de vijand.
  • In 1956 verbood de Hoge Raad de neo-nazipartij Nationaal-Europese Sociale Beweging.
  • De Centrumpartij '86 was een tijdlang in de ultrarechtse hoek de concurrent van de Centrum Democraten van Hans Janmaat. In de jaren negentig werden de denkbeelden over allochtonen steeds extremer. In 1998 oordeelde de rechter dat de Centrumpartij aanzette tot geweld tegen allochtonen en verbood de partij.

De meest recente voorbeelden van verenigingen die door de rechter verboden werden, zijn pedofielenvereniging Martijn (2012), motorclub Bandidos (2017) en motorclub Satudarah (2018).
Zie verder NIEUWSITEMS en JURISPRUDENTIE.

 

NIEUWSITEMS

 


ACTUEEL

Concept-wetsvoorstel Verbieden van rechtspersonen

Het Concept-wetsvoorstel Verbieden van rechtspersonen  wil het gemakkelijker maken rechtspersonen die 'de samenleving ontwrichten' te verbieden en te ontbinden. Dit plan om artikel 2:20 BW aan te passen was destijds een van de afspraken in het regeerakkoord van het huidige kabinet.
In de wet zelf wordt omschreven wat in strijd is met de openbare orde. Het is de bedoeling dat officieren van Justitie in de toekomst eenvoudiger kunnen bewijzen dat een organisatie een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Wie na een verbod toch doorgaat, hangt een gevangenisstraf van maximaal twee jaar boven het hoofd.

 

Turkse ministers voeren campagne in Nederland

In maart 2017 deed de zaak rond de Turkse ministers die naar Nederland wilden komen om Turkse Nederlanders toe te spreken hier de gemoederen hoog oplaaien. In het Nederlands Juristenblad 2017/12 vroeg staatsrecht-hoogleraar Paul Bovend’Eert zich af of het kabinet wel voldoende argumenten had om de grondwettelijke vrijheid van vergadering in te perken. Hij schreef onder andere:
Eigenlijk zie ik helemaal geen juridische grondslag om de Turkse ministers, die niet als bewindspersoon maar in hun hoedanigheid van lid van de partij van Erdogan naar Nederland komen, te verbieden om campagne te voeren voor een referendum onder Turkse Nederlanders die in Turkije stemrecht hebben. Het recht van vrijheid van meningsuiting en vergadering geldt ook voor niet-Nederlanders die op Nederlands grondgebied zijn.

 

JURISPRUDENTIE

Geen verbod Hells Angels Harlingen

De Hoge Raad heeft in juni 2009 beslist dat de afdeling Hells Angels Northcoast in Harlingen niet verboden mocht worden. De raad stelde dat het verbieden van een vereniging of stichting wegens strijd met de openbare orde alleen in het uiterste geval kan geschieden. Een dergelijk verbod vormt een ernstige inbreuk op de vrijheid van vereniging en vergadering die een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat vormen.
In het geval van de Harlinger Hells Angels leverden de feiten die het OM had aangevoerd, volgens de Hoge Raad voor een deel het beeld op dat er sprake was van maatschappelijk ongewenst gedrag en mogelijk ook van strafbare feiten. Toch zorgde dit alles niet voor zo'n ernstige inbreuk op de openbare orde dat de rechtspersoon moest worden verboden.
Deze uitspraak van de Hoge Raad was voor het OM destijds aanleiding om ook andere afdelingen van de Hells Angels te verbieden en te ontbinden stop te zetten.

Uitspraak Hoge Raad (26.06.2009)

 

Pedofielenvereniging Martijn door Hoge Raad verboden

In 2012 verbood de rechtbank in Assen de Vereniging Martijn omdat de vereniging seksuele contact tussen volwassenen en kinderen voorstelt als iets dat normaal en acceptabel zou moeten zijn. De rechtbank achtte de activiteiten van Martijn in strijd met de openbare orde en verbood en ontbond de vereniging op grond daarvan. In hoger beroep vernietigde het gerechtshof in Leeuwarden dat besluit een jaar later. NRC vertaalde deze uitspraak op 3 april 2013 in de kop 'Pedoclub is gruwelijk, maar samenleving kan er wel tegen'.
Vervolgens ging de zaak van de pedofielenvereniging door naar de Hoge Raad die op 18 april 2014 alsnog besloot dat de pedofielenvereniging verboden en ontbonden moet worden. De Hoge Raad oordeelde dat 'de vereniging de gevaren van seksueel contact met jonge kinderen bagatelliseert, dergelijke contacten zelfs verheerlijkt en haar opvattingen ook propageert'. Het hoogste rechtscollege vond de bescherming van kinderen zo belangrijk dat het recht op vereniging ervoor moest wijken. Daarmee volgde de Hoge Raad de uitspraak van de Asser rechtbank in eerste instantie. In zijn vonnis refereerde De Hoge Raad bij de beperking van het recht op vereniging aan het Europees hof in Straatsburg dat eerder oordeelde dat de vrijheid van vereniging preventief mag worden ingeperkt als er kennelijk essentiële waarden op het spel staan.

In een redactioneel commentaar van 22.04.14 schreef NRC-Handelsblad hier het volgende over:
Hoewel de doelstelling van de vereniging louter afkeuring verdient, wordt met een verbod toch een te zwaar middel toegepast. In een vrije samenleving moet het ook mogelijk zijn om rondom ongewenste, schokkende en zelfs schadelijke opvattingen een vereniging te organiseren. (…) De vereniging Martijn wordt verboden vanwege de mogelijke toekomstige ontwrichtende effecten. Dus niet om wat ze nu doet maar om wat ze zou kunnen veroorzaken. Dus een nieuwe stok voor het Openbaar Ministerie om ook andere verenigingen preventief mee te slaan. Intussen voegt de Hoge Raad zich naadloos in de publieke afwijzing van pedofilie. Kennelijk moet de kloof met de burger ook weer niet te groot worden.

 

 

EUROPEES RECHT

Vooraf

  • Staatsrechtelijk is de Nederlandse wetgeving inclusief Grondwet ondergeschikt aan het Europees recht. Mochten Nederlandse wetten de burger echter méér garantie bieden, dan heeft hij aanspraak op de meest vergaande bescherming, in dit geval van de Nederlandse wet. Lees meer over de relatie tussen Grondwet en Europese grondrechten en de manier waarop de rechter daarmee om gaat.
  • De integrale teksten van de verdragen en andere regelgeving hieronder vindt u bij de downloads.
  • In onze Grondwet zijn het recht op vrijheid van vereniging (art. 8 Gw) en vrijheid van vergadering en betoging (art. 9 Gw) gesplitst. Europees recht vat ze samen, vandaar dezelfde verwijzingen naar artikelen in EVRM en Handvest Grondrechten.

Europees Verdrag Rechten van de Mens

  • Art. 11 EVRM   Dit artikel biedt dezelfde bescherming van het verenigingsrecht als onze Grondwet. Opmerkelijk is dat volgens de jurisprudentie er ook geen sprake mag zijn van verenigingsdwang en dus een verplicht lidmaatschap van een vakbond verboden is.

Handvest Grondrechten Europese Unie

  • Art. 12 Hv   In lid 2 van dit artikel wordt nog even apart genoemd dat politieke partijen ook onder het recht van vereniging vallen.

Uitgelicht


Statenverkiezingen in Caribisch Nederland
In 2010 zijn Saba, Sint-Eustatius en Bonaire bijzondere gemeenten van Nederland geworden. Bij deze operatie werd vergeten om de drie bij een provincie in te delen met als gevolg dat de Nederlandse staatsburgers daar niet in de gelegenheid zouden zijn om (indirect) hun stem uit te brengen voor de Eerste Kamer.
Om het probleem op te lossen is de Kieswet aangepast en daarvoor moest in 2017 ook de Grondwet veranderd worden. Aanvankelijk was het plan om de drie betrokken eilandsraden mee te laten stemmen voor de Eerste Kamer. Daar deed zich echter de moeilijkheid voor dat net als bij de gemeenteraden ook niet-Nederlanders voor de eilandraden mogen stemmen, terwijl voor de Statenverkiezingen het Nederlanderschap een vereiste is.
Voor de drie kleine Caribische eilanden is daarom een aparte verkiezing in de Kieswet bedacht. Tegelijk met de eilandsraadverkiezingen mogen de kiesgerechtigden met een Nederlandse nationaliteit op de eilanden ook hun stem uitbrengen voor een ‘kiescollege’. Dit college heeft als enige taak mee te doen aan de Eerste Kamer-verkiezingen. Samen zijn de drie eilanden goed voor 0,11 Kamerzetel.
(gepubliceerd op 19.03.2019)

Knipoog

Een groot misverstand

Op 26 maart 2019 is filosoof Daan Roovers benoemd tot de nieuwe Denker des Vaderlands. Die dag stond ze in een interview met Trouw onder andere stil bij de vrijheid van meningsuiting die in artikel 7 van onze Grondwet vastligt.
Er bestaat volgens Daan Roovers een groot misverstand rond het begrip:
Mensen denken dat elke uitspraak of elk vooroordeel dat je uitspreekt bijzondere bescherming verdient. Dat is denk ik een groot misverstand. De vrijheid van meningsuiting is een politiek recht van burgers ten opzichte van de overheid. Niet van kinderen ten opzichte van hun ouders, of van burgers ten opzichte van elkaar. En bij die vrijheid hoort trouwens dat je bereid bent om je mening ter discussie te stellen en kritiek van anderen aan te neme. Dát is het publieke debat.
(gepubliceerd op 26.03.2019)