• Website over de 23 grondrechten in de Nederlandse Grondwet
 

Grondrechten

Artikel 15

Je mag in Nederland niet willekeurig van je vrijheid beroofd worden. Alleen als het in de wet staat en de rechter er toestemming voor geeft, mag je in Nederland worden vastgehouden. Wel moet je binnen redelijke termijn voor de rechter worden voorgeleid.

LETTERLIJKE TEKST ARTIKEL 15

1   Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
2   Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
3   De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
4   Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.


TOELICHTING BIJ ARTIKEL 15

Dit grondrecht staat al sinds 1814 in de Grondwet waar het als Artikel 101 was opgenomen. De versie van het artikel in de Grondwet van 1887 (Artikel 157) heeft het bijna honderd jaar volgehouden en is in 1983 aangepast tot de huidige tekst. In het oude artikel was een rechterlijk bevel vereist voor inhechtenisneming en dat is vervallen in het huidige artikel 15.

Het artikel heeft niet alleen betrekking op inhechtenisneming, maar op elke willekeurige vrijheidsontneming door de overheid. Het zegt dat de overheid, mits aan de voorwaarden in dit Grondwetsartikel wordt voldaan, een burger zijn vrijheid mag ontnemen.
Dit is een recht dat in Nederland uitsluitend aan de overheid toekomt. Als er sprake is van vrijheidsberoving door een medeburger, dan zegt het Wetboek van Strafrecht (Titel XVIII WvS) er in artikel 282 het volgende over:
1
   Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2  
Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie
3   Indien het feit de dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.
4
   De in dit artikel bepaalde straffen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving een plaats verschaft.

Habeas corpus
In 1983 is het tweede lid aan Artikel 15 toegevoegd. Dit is het zogeheten Habeas corpus-principe. Het Latijnse ‘Habeas corpus’ betekent letterlijk ‘Dat u het lichaam heeft’. De verdachte van een misdrijf moet binnen een bepaalde termijn van zijn aanklacht in kennis worden gesteld. Hij moet in levenden lijve aan een rechter worden voorgeleid en een gevangenneming mag daarop slechts op gerechtelijk bevel volgen.

Bij de behandeling van het artikel in der Tweede Kamer werd de volgende omschrijving gegeven:
Dat iemand, wie zijn vrijheid is ontnomen, het recht heeft zich tot de rechter te wenden met het verzoek, aan degene die de verzoeker vasthoudt, het bevel te geven de verzoeker voor de rechter te brengen, en voorts de gronden van de vrijheidsontneming aan de rechter mee te delen, waarna de rechter over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming beslist en vervolgens de vrijlating van de verzoeker kan gelasten. (Handelingen Tweede Kamer 1975/1976)

TOELICHTING PER ARTIKEL

Lid 1
De formulering ‘bij of krachtens de wet’ geeft aan dat er een formele wet aan ten grondslag moet liggen (‘bij de wet’) of dat er sprake kan zijn van een wettelijk geregelde delegatie (‘krachtens de wet’).
In dit verband is Hoofdstuk 6 van de Grondwet van belang dat geheel aan de rechtspraak gewijd is. Artikel 113 in dat hoofdstuk bepaalt dat uitsluitend de rechter je bij wijze van straf je vrijheid kan ontnemen:
1   Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.
2
  Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.
3
  Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.

4   Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Lid 2
De formulering 'anders dan op rechterlijk bevel’ geeft de overheid ruimte om in bepaalde situatie snel en adequaat te kunnen ingrijpen.
Behalve hechtenis op rechterlijk bestaat er dan ook nog iets als ‘politionele vrijheidsberoving’. Denk hier bijvoorbeeld aan het insluiten van iemand ter ontnuchtering of als een burgemeester een groep lastige supporters ‘op een door hem aangewezen plaats doet ophouden’. In beide gevallen is de openbare orde in gevaar. Een en ander is in de gemeentewet omschreven.

Andere voorbeelden van vrijheidsontneming zonder rechterlijke inmenging staan onder andere in:
•   Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
•   Vreemdelingenwet
•   Wet publieke gezondheid

De formulering ‘kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken’ geeft aan dat hier uitsluitend de rechter kan optreden. Er is geen delegatie mogelijk

Lid 3
Er is niet meteen vastgelegd wat een redelijke termijn is. Dat moet van geval tot geval door de rechter worden beoordeeld. Vaak klopt ons gevoel voor redelijkheid overigens niet helemaal met wat bij de rechterlijke macht redelijk wordt gevonden…

Lid 4
Dit lid gaat over het uitoefenen van grondrechten tijdens de detentie. De beperkingen worden in de Grondwet niet met name genoemd, denk hier aan:
•   fouilleren (integriteit van het lichaam)
•   vanuit de gevangenis telefoneren (brief- en telefoongeheim)
•   samen vergaderen (recht op vereniging en vergadering)

In 1982 vroeg de vereniging van gedetineerden ‘De Schans’ de directeur van het huis van bewaring om een vergaderruimte voor het bestuur ter beschikking te stellen waar het de Hoge Raad die van mening bleek dat de directeur in dit geval dit recht mocht weigeren. Zie voor deze zaak de jurisprudentie bij Artikel 9

Vaak denkt men dat bij gevangenen het kiesrecht zou zijn opgeschort. Dat is niet het geval, het gebeurt alleen als de rechter die iemand uit het actieve kiesrecht wil ontzetten, daartoe een specifiek besluit neemt. Het maakt daarmee expliciet onderdeel uit van de straf.
Zo’n ontzetting kan slechts bij een beperkt aantal delicten en dan alleen als men is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar.
Een en ander is geregeld in lid 2 van Artikel 54 van de Grondwet:
Van het kiesrecht is uitgesloten hij die wegens het begaan van een daartoe bij de wet aangewezen delict bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste een jaar en hierbij tevens is ontzet van het kiesrecht.


ARTIKEL 15 IN DE ACTUALITEIT

Links naar nieuwsitems

Nederland aarzelend over recht op resocialisatie
Er moet altijd een wettelijke grondslag zijn als iemand zijn vrijheid wordt ontnomen, of dat nu door een rechter gebeurt of niet. Volgens het tweede lid van Artikel 15 kan iemand altijd de rechter verzoeken hem in vrijheid te stellen. Dit geldt ook als iemand rechtmatig gevangen zit, maar vindt dat de voortzetting van de straf onrechtmatig is.
Wiene van Hattum is docent strafrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij schreef in Trouw van 16 juli 2014 het artikel ‘Resocialisatie is geen gunst’. Daarin signaleert hij dat langgestraften in Nederland in elk geval sinds 2006 geen aanspraak meer kunnen maken op activiteiten gericht op socialisatie. Dat is in zijn ogen in strijd met het resocialisatiebeginsel dat in alle Europese landen in navolging van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt erkend.
In zijn artikel stelt Van Hattum vast dat resocialisatie niet alleen het recht van mensen is die in een kliniek worden behandeld, maar voor alle langgestraften. Voor iedereen die langgestraft is, zou na een zekere periode gratie moet kunnen worden verleend. Het is bovendien een taak van de overheid om bij het publiek begrip te kweken voor het feit dat gestraften na verloop van tijd weer in de samenleving terugkeren. Dat Nederland zich daar soms niet veel om gelegen laat liggen, illustreert hij met de weigering van toenmalig staatssecretaris Teeven tegen de wens van de rechter in om Folkert van der G. op proefverlof te laten gaan.
Van Hattum stelt dat Nederland zaken als resocialisitie en gratieverlening niet goed geregeld heeft. Op dit moment moet elke stap voor de rechter worden gebracht en keer op keer stelt de rechter vast dat Nederland niet handelt overeenkomstig Europees recht.
(link naar het volledige artikel)

Levenslang op Sint Maarten afgeschaft
In 2013 verklaarde het Constitutioneel Hof van Sint Maarten alle strafrechtartikelen ongeldig die betrekking hadden op levenslange gevangenisstraf. Niemand mag op het eiland voor de rest van zijn leven de gevangenis in verdwijnen.
Dit standpunt zou mogelijk ook gevolgen voor de Nederlandse rechtspraak kunnen hebben. Trouw wijdde er op 12 november 2013 het volgende commentaar aan:
De uitspraak van het Constitutioneel Hof raakt in eerste instantie alleen de strafwetgeving van Sint Maarten. Maar de kwestie kan in lopende rechtszaken tot cassatie leiden. En dan komt zij terecht bij de enige instantie voor cassatie die het koninkrijk heeft: de Hoge Raad in Den Haag.
Dat zou geen slechte zaak zijn, want een uitspraak van de Hoge Raad zou ook Nederland raken. En wel op een punt waarop het al veel is bekritiseerd. Zo heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg Nederland al eens gekapitteld omdat de strafwetgeving niet voorziet in de mogelijkheid een levenslange straf te beëindigen. In Nederland kan alleen gratie worden verleend, door het staatshoofd; er is geen procedure om de rechter te laten toetsen of het geen tijd is de vrijheidsstraf te beëindigen.
Het kabinet heeft, bij monde van staatssecretaris van Justitie Teeven, steeds volgehouden dat gratie voldoende is. Maar in de afgelopen veertig jaar is er niet één keer gratie verleend. Gratie is in Nederland theorie. 


JURISPRUDENTIE ROND ARTIKEL 15

De zaak-Winterwerp
Fritz Winterwerp liep na een auto ongeluk een hersenbeschadiging op waardoor hij merkwaardig gedrag ging vertonen. Zijn vrouw vond dat hij een totaal andere persoonlijkheid gekregen had. In 1968 werd Winterwerp op verzoek van zijn vrouw en na een machtiging van de kantonrechter in Amersfoort opgenomen in een psychiatrische inrichting. Op verzoek van zijn vrouw werd deze machtiging regelmatig verlengd door de arrondissementsrechtbank op grond van medische rapporten.

Zelf verzette Fritz Winterwerp zich van het begin af tegen zijn opname. Tot vier maal toe vroeg hij tevergeefs om hem uit de psychiatrische inrichting te ontslaan. Drie van de vier keer was het de officier van Justitie die het verzoek afwees omdat de verplichte machtiging tot verlenging van zijn opname toch korte tijd daarna door de rechtbank afgegeven moest worden. In 1972 maakte Winterwerp zijn zaak aanhangig bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Het duurde maar liefst zeven jaar voor het hof tot een uitspraak kwam. Winterwerp werd in het gelijk gesteld. De Nederlandse regering had in deze zaak artikel 5 lid 4 en artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft geschonden. Volgens het hof mag in zo’n geval een officier van justitie niet over een dergelijk verzoek tot ontslag beslissen, maar uitsluitend dient dit uitsluitend door de rechter te gebeuren. Deze zal ook de psychiatrische patiënt zelf in de gelegenheid moeten stellen de wetmatigheid van de machtiging te betwisten.


ARTIKEL 15 EN DE EUROPESE GRONDRECHTEN

De artikelen 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bieden een verdergaande bescherming dan ons Grondwetsartikel 15 (Zie ook de zaak-Winterwerp in de jurisprudentie). Deze artikelen waren bij de Grondwetswijziging in 1983 aanleiding het eigen wetsartikel toch maar niet ingrijpend te wijzigen. Artikel 6 EVRM waarborgt de toegang tot de rechter en de rechterlijke procedures voldoende. Lid 3/e bijvoorbeeld zegt dat een verdachte die geen Nederlands spreekt, recht op een gratis tolk heeft. Onze Grondwet zwijgt hierover in alle talen.


Artikel 5 EVRM

Recht op vrijheid en veiligheid
  Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
1/a   indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter
1/b   indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd, wegens het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren
1/c   indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan.

2   Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht.

3   Een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1/c van dit artikel, moet onverwijld voor een rechter worden geleid of voor een andere magistraat die door de wet bevoegd verklaard is rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene ter terechtzitting.

4   Een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

5   Een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, heeft recht op schadeloosstelling.
5/d   in het geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding of in het geval van zijn rechtmatige detentie, teneinde hem voor de bevoegde instantie te geleiden
5/e   in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers
5/f   in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.


Artikel 6 EVRM

Recht op een eerlijk proces
1   Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

2   Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

  Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
3/a   onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging
3/b   te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging
3/c   zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen
3/d   de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge
3/e   zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Uitgelicht

Nashville-verklaring

De door 250 Nederlanders ondertekende Nashville-verklaring leidde tot felle discussies. Mogen de ondertekenaars zich beroepen op de vrijheid van meningsuiting van art. 7 Gw? Zijn homo’s en transgenders door de verklaring gediscrimineerd op grond van art. 1 Gw? Welk recht weegt zwaarder?
Hoogleraar rechtsfilosofie Thomas Mertens zei er in dagblad Trouw van 8 januari 2019 over:
Hier lijkt mij toch vooral de boodschap: wij christenen zijn in de verdrukking en we houden vast aan onze waarheid. Dat is mijn waarheid niet en ook niet die van vele anderen, maar ze mogen het van mij zeggen. En van de rechter ook, vermoed ik. Het is een gevecht van een groep die zich in de verdrukking voelt in deze seculiere tijd en die waarschijnlijk nog steeds de openstelling van het huwelijk voor mensen van het gelijke geslacht betreurt. Tolerantie voor onwelgevallige meningen is cruciaal voor de vrije meningsuiting.

Lees het hele artikel

Knipoog

Parlementair taalgebruik

Op 26 september 2018 schreef Ewoud Sanders een column in NRC Handelsblad over parlementair taalgebruik.
'Na de Algemene Politieke Beschouwingen van vorige week begint de vraag zich op te dringen hoe ver politici kunnen gaan voordat zij door de Kamervoorzitter worden teruggefloten. Wilders, die de beschouwingen mocht openen, zette meteen de toon. Ik telde drie keer oprotten en één keer 'Rot zelf lekker op!' Dit was gericht tegen 'de bende van Denk', zoals Wilders ze noemde. (…) Inmiddels lijken oprotten, oppleuren en oplazeren in Haagse kringen zo geaccepteerd dat de Kamervoorzitter ze kritiekloos laat passeren. Ik vind dat opmerkelijk. Zeker als je bedenkt dat van politici nog altijd wordt verwacht dat ze een voorbeeldfunctie vervullen.'

 Lees de hele column van Ewoud Sanders.